Aanwijzende voornaamwoorden dit dat deze die uitgelegd
Ken je dat? Je leest een verhaal of een bericht en ineens weet je niet meer waar de schrijver het over heeft.
Er staat een zin met "dit" en je vraagt je af: welke "dit" bedoelt hij eigenlijk? Aanwijzende voornaamwoorden zijn kleine woordjes, maar ze bepalen voor een groot deel of je tekst begrijpelijk is. Zonder ze zou elke zin een chaos worden. Laten we eens kijken naar de vier belangrijkste helden in deze categorie: dit, dat, deze en die.
Ze lijken op elkaar, maar ze doen allemaal net iets anders. In dit artikel leg ik je precies uit hoe je ze gebruikt, zonder ingewikkelde theorie, maar met praktische voorbeelden die je meteen kunt toepassen.
Wat zijn aanwijzende voornaamwoorden eigenlijk?
Stel je voor dat je een vinger uitsteekt en naar iets wijst.
Dat is precies wat deze woorden doen, maar dan op papier. Ze fungeren als een soort pointer. Ze verwijzen naar iets dat eerder is genoemd of naar iets dat in de buurt is (zowel fysiek als in de tekst).
Ze zorgen ervoor dat we niet steeds hetzelfde woord hoeven herhalen. De meest voorkomende aanwijzende voornaamwoorden in het Nederlands zijn vierkant en duidelijk: deze, die, dit en dat.
Ze horen bij de basis van de Nederlandse taal en als je ze goed beheerst, klinkt je Nederlands meteen professioneler en natuurlijker.
Ze helpen je om logisch te schrijven en te zorgen dat je lezer niet verdwaalt in je zinnen.
De basisregel: nabijheid versus afstand
Voordat we de vier woorden uit elkaar halen, is er één gouden regel die bijna altijd werkt: nabijheid versus afstand. In het Nederlands denken we vaak in termen van "dichtbij" en "ver weg". Denk aan een wandeling in het bos.
- Dichtbij: iets dat je letterlijk vasthoudt, iets wat net genoemd is, of iets wat direct relevant is voor de situatie waar je in zit. Hiervoor gebruik je deze en dit.
- Ver weg: iets dat verderop ligt, iets dat minder direct is, of iets dat in een verder verleden ligt. Hiervoor gebruik je die en dat.
Als je zegt: "Kijk eens naar deze boom", dan wijs je waarschijnlijk naar een boom naast je.
Als je zegt: "Kijk eens naar die boom", dan wijs je naar een boom die verderop staat. Deze simpele logiek zit verwerkt in bijna al onze zinnen.
Deze en die: De mannelijke en vrouwelijke woorden (de)
De woorden deze en die gebruiken we bij zelfstandige naamwoorden die beginnen met de.
Deze: De dichtbije keuze
Dit geldt voor mannelijke, vrouwelijke en meervoudige woorden. Het maakt dus niet uit of je spreekt over "de man", "de vrouw" of "de huizen".
Gebruik deze wanneer je verwijst naar iets dat zich dichtbij bevindt. Dit kan fysiek dichtbij zijn, maar ook logisch dichtbij in de zin. Het is de "actieve" keuze. Voorbeeld: "Ik heb twee shirts nodig. Deze blauwe is perfect, maar deze rode is ook mooi." In dit voorbeeld houd je de shirts waarschijnlijk vast of liggen ze naast je. Ze zijn direct beschikbaar voor je keuze.
Gebruik die wanneer je verwijst naar iets dat verder weg is. Dit kan letterlijk in de ruimte zijn, maar ook figuurlijk.
Die: De verre keuze
Bijvoorbeeld iets dat al eerder ter sprake is gekomen of iets dat minder relevant lijkt voor de directe situatie. Voorbeeld: "Kijk daar ginds in de hoek van de winkel. Die jas aan de kapstok lijkt me wel wat." Hier is de jas niet binnen handbereik. Er is afstand. Ook in een verhaal gebruik je die vaak om te verwijzen naar iets dat je net hebt genoemd, maar om verwarring met nieuwe informatie te voorkomen. Er is een interessante ontwikkeling gaande in het Nederlands.
Veel schrijvers en sprekers geven de voorkeur aan die, zelfs als iets eigenlijk dichtbij is. Dit komt omdat die vaak als iets neutraaler wordt ervaren. Deze voelt soms iets nadrukkelijker.
Toch is de basisregel van nabijheid nog steeds de veiligste keuze voor heldere communicatie.
De nuance: Waarom we soms twijfelen
Als je iets letterlijk aanwijst, kies dan voor deze.
Dit en dat: De onzijdige woorden (het)
Wanneer we praten over onzijdige woorden (woorden die beginnen met het), schakelen we over op dit en dat.
Dit: Direct en aanwezig
Denk aan "het boek", "het huis" of "het idee". Hier geldt dezelfde logiek van nabijheid en afstand. Dit is je beste vriend als je iets presenteert dat direct voor je ligt of net genoemd is. Voorbeeld: "Ik heb een idee. Dit is wat we gaan doen..." Het idee is vers en aanwezig in het gesprek. Of kijk eens in een winkel: "Ik zoek een nieuwe laptop. Dit model bevalt me goed." Je wijst naar de laptop die je nu vasthoudt. Dat gebruik je voor iets dat verder weg ligt of iets dat al afgerond is.
Het is de tegenhanger van dichtbij. Voorbeeld: "Daar ginds op de tafel ligt een boek. Dat boek heb ik laatst gelezen." De afstand is hier duidelijk. Ook in de tijd werkt dat goed. "Gisteren was het feest. Dat was gezellig!" Het feest is voorbij, het ligt in het verleden (op afstand).
Dat: Op afstand of afgerond
Verwijzen naar zinnen en concepten
Deze voornaamwoorden doen meer dan alleen naar fysieke objecten wijzen. Ze kunnen ook verwijzen naar hele zinnen of complexe ideeën, net zoals wanneer je hulpwerkwoorden in de juiste context gebruikt.
Dit is super handig om je verhaal aan elkaar te knopen. Stel je voor: "Je moet groenten altijd in de koelkast bewaren, anders bederven ze. Dit is belangrijk voor je gezondheid." Hier verwijst dit niet naar een woord, maar naar de hele voorgaande zin. Het is een manier om een conclusie te trekken of een samenvatting te geven.
Een ander voorbeeld: "Je bent te laat gekomen en je hebt je huiswerk vergeten. Dat gaat hem niet worden vandaag." Hier verwijst dat naar de combinatie van beide feiten.
Het is een oordeel over de situatie. In deze context voelt dat vaak logischer dan dit, ook al is het een abstract concept.
Wanneer kies je voor een alternatief?
Soms staan deze, die, dit en dat in de weg.
Ze kunnen wat zwaar of formeel klinken in een gesprek. Gelukkig zijn er alternatieven die je zin soepeler maken.
Kijk naar dit voorbeeld: "Heb je de sleutel gezien? Deze zoek ik al de hele tijd." Dit is grammaticaal perfect, maar in een informele situatie zou je sneller zeggen: "Heb je de sleutel gezien? Ik zoek hem al de hele tijd." Het persoonlijk voornaamwoord (hem, haar, ze) is vaak natuurlijker in gesproken taal. In geschreven taal, vooral in formele stukken zoals rapporten of artikelen, blijven de aanwijzende voornaamwoorden vaak de betere keuze omdat ze duidelijker afbakenen. Een voordeel van aanwijzende voornaamwoorden is dat ze minder snel verwarring geven met andere woorden, zeker als je let op het juiste gebruik van trema's en accenten. Als je in een zin meerdere personen noemt, kan "hem" of "zij" soms dubbelzinnig zijn. Deze of die is dan vaak specifieker.
Handige truc: De "wijzen met de vinger" test
Als je twijfelt welk woord je moet gebruiken, doe dan mentaal de "wijzen met de vinger" test.
- Kun je er letterlijk naar wijzen en is het dichtbij? Kies voor deze (de) of dit (het).
- Moet je eerst je arm uitstrekken of is het verderop? Kies voor die (de) of dat (het).
Deze simpele test helpt je in 90% van de gevallen aan het juiste woord. De overige 10% gaat over gevoel en stijl, en dat ontwikkel je vanzelf door veel te lezen en te schrijven.
Conclusie
Aanwijzende voornaamwoorden zijn de ruggengraat van een goed verhaal. Ze zorgen voor structuur en duidelijkheid.
Of je nu kiest voor deze, die, dit of dat, het gaat erom dat je de lezer meeneemt in je gedachtegang.
Door bewust te letten op nabijheid en afstand, en door te oefenen met verwijzingen naar zinnen, wordt je Nederlands niet alleen correcter, maar ook veel vlotter. Probeer de volgende keer dat je schrijft eens extra aandacht te besteden aan reflexieve werkwoorden en andere kleine woordjes. Het maakt een wereld van verschil.
Veelgestelde vragen
Wat zijn aanwijzende voornaamwoorden precies?
Aanwijzende voornaamwoorden, zoals ‘dit’, ‘dat’, ‘deze’ en ‘die’, fungeren als een soort pointer in je tekst.
Wanneer gebruik ik ‘deze’ en ‘die’?
Ze verwijzen naar iets dat eerder genoemd is of iets in de buurt, waardoor je zinnen duidelijker en begrijpelijker worden. Ze helpen je om herhaling te vermijden en je lezer niet te laten verdwalen. ‘Deze’ en ‘die’ helpen je om te aangeven of iets dichtbij of ver weg is. ‘Deze’ wordt gebruikt voor dingen die direct relevant zijn of letterlijk in de buurt, zoals ‘Kijk eens naar deze boom’. ‘Die’ verwijst dan naar iets verder weg, bijvoorbeeld ‘Die boom’ in het bos. ‘Dit’ en ‘dat’ worden gebruikt voor dingen die minder direct relevant zijn of verder in de verte. Denk bijvoorbeeld aan ‘Ik zoek een spannend boek, en dit lijkt me wel wat’. Ze helpen je om te communiceren over dingen die niet direct in de buurt zijn.
Wat is het verschil tussen ‘dit’ en ‘dat’?
Nee, ‘deze’ en ‘die’ zijn niet altijd hetzelfde. ‘Deze’ verwijst naar iets dat dichtbij is, zowel fysiek als logisch, terwijl ‘die’ verwijst naar iets dat verder weg ligt. Het is belangrijk om de juiste keuze te maken op basis van de context van je tekst.
Zijn ‘deze’ en ‘die’ altijd hetzelfde?
Er zijn verschillende soorten voornaamwoorden, waaronder persoonlijk voornaamwoord (ik, jij, hij), wederkerend voornaamwoord (mezelf, onszelf) en bezittelijk voornaamwoord (mijn, jouw).
Welke soorten voornaamwoorden zijn er?
Het beheersen van aanwijzende voornaamwoorden draagt bij aan een professionelere en natuurlijker schrijfstijl.
